Zelfde maatstaf voor schorsing tenuitvoerlegging in kort geding als in hoger beroep.

Hoge Raad ยท 20 december 2019 ยท Cassatie ยท Civiel recht; Burgerlijk procesrecht

Procesrecht, executierecht. Kort geding. Vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot ontruiming van een hotel-restaurant (art. 438 lid 2 Rv). Maatstaf: misbruik van bevoegdheid op de gronden genoemd in HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 (Ritzen/Hoekstra) of ruimere belangenafweging? Verhouding tot schorsingsverzoek art. 351 Rv in hoger beroep en incidenten art. 234 en 235 Rv (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012 (Newbay/Staat) en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688).

Rechtsvraag

Welke maatstaf moet de rechter hanteren bij de beoordeling van een vordering of verzoek om de tenuitvoerlegging te schorsen van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak?

Regel

  • art. 438 lid 2 Rv (schorsing van de tenuitvoerlegging bij de voorzieningenrechter)
  • art. 351 Rv (schorsing van de tenuitvoerlegging in hoger beroep)
  • art. 360 lid 2 Rv (schorsing van de tenuitvoerlegging in hoger beroep in verzoekschriftprocedures)
  • art. 234 Rv (uitvoerbaarverklaring bij voorraad in hoger beroep)
  • art. 235 Rv (voorwaarde van zekerheidstelling bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad)

Toepassing

  • art. 438 lid 2 Rv (schorsing van de tenuitvoerlegging bij de voorzieningenrechter) De voorzieningenrechter kan de tenuitvoerlegging schorsen als het belang van de veroordeelde bij handhaving van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij onverwijlde tenuitvoerlegging. In deze zaak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de vrouw geen zwaarwegend belang heeft bij onverwijlde tenuitvoerlegging en heeft daarom de schorsing toegewezen.
  • art. 351 Rv (schorsing van de tenuitvoerlegging in hoger beroep) Het hof vernietigde de beslissing van de voorzieningenrechter en oordeelde dat geen sprake was van een juridische of feitelijke misslag en dat er geen nieuwe feiten waren die een noodtoestand zouden veroorzaken voor de man. Daarom werd de vordering tot schorsing afgewezen.
  • art. 360 lid 2 Rv (schorsing van de tenuitvoerlegging in hoger beroep in verzoekschriftprocedures) De Hoge Raad heeft verduidelijkt dat dezelfde maatstaven moeten worden gehanteerd voor zowel kort geding als incidenten in hoger beroep. Dit betekent dat er geen uiteenlopende maatstaven moeten worden gehanteerd voor schorsing van de tenuitvoerlegging, ongeacht of dit in kort geding of in hoger beroep wordt beoordeeld.
  • art. 234 Rv (uitvoerbaarverklaring bij voorraad in hoger beroep) De Hoge Raad heeft aangegeven dat bij de beoordeling van een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de rechter de belangen van beide partijen moet afwegen en dat de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing moet blijven. Dit is van toepassing in deze zaak omdat de man hoger beroep had ingesteld tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
  • art. 235 Rv (voorwaarde van zekerheidstelling bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad) De Hoge Raad heeft verduidelijkt dat als de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gemotiveerd, de incidenteel eiser nieuwe feiten moet aandragen die zich na de eerdere uitspraak hebben voorgedaan om afwijking van die beslissing te rechtvaardigen. In deze zaak was de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet gemotiveerd, waardoor de man geen nieuwe feiten hoefde aan te dragen.

Conclusie

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en geoordeeld dat dezelfde maatstaven moeten worden gehanteerd voor schorsing van de tenuitvoerlegging, ongeacht of dit in kort geding of in hoger beroep plaatsvindt. De conclusie is dat de man geen belang meer heeft bij zijn cassatieberoep omdat inmiddels op het hoger beroep van de hoofdzaak is beslist.

Partijen en standpunten

  • Eiser: de man
  • Gedaagde: de vrouw

De man vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarin is bepaald dat de vrouw recht heeft op levering van het hotel-restaurant en dat de man het pand moet ontruimen. Hij stelt dat het belang van de vrouw bij onverwijlde tenuitvoerlegging niet opweegt tegen zijn belang bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist.

De vrouw stelt dat er geen sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het vonnis en dat er geen nieuwe feiten zijn die schorsing rechtvaardigen. Zij betoogt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging alleen mogelijk is bij misbruik van recht, wat hier niet het geval is.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 23-08-2017 De rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de vrouw recht heeft op levering van het hotel-restaurant. De man wordt veroordeeld om alle beslagen op te heffen en het hotel-restaurant te ontruimen. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
  2. 18-10-2017 De voorzieningenrechter schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis in de hoofdzaak zolang er geen eindarrest in hoger beroep is gewezen. Dit op basis van een belangenafweging tussen de man en de vrouw.
  3. 08-05-2018 Het gerechtshof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en weigert de gevraagde voorzieningen. Het hof oordeelt dat er geen sprake is van een juridische of feitelijke misslag of een nieuw feit dat een noodtoestand voor de man zou veroorzaken.
  4. 11-12-2018 Het gerechtshof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland in de hoofdzaak, behalve de proceskostenveroordeling. De incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen omdat de man geen belang meer heeft bij deze vordering.
  5. 20-12-2019 De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de man tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad oordeelt dat de man geen belang meer heeft bij zijn cassatieberoep omdat inmiddels op het hoger beroep van het vonnis in de hoofdzaak is beslist. De kosten van het geding in cassatie worden gecompenseerd.