Bestuurder slechts aansprakelijk bij voorzienbare schade door niet-nakomen pandrechtverplichting.
Vennootschapsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Onrechtmatige daad. De vennootschap, die zich heeft verplicht tot verstrekking eerste pandrecht, verstrekt een tweede pandrecht. Onvoldoende verhaal. Ernstig persoonlijk verwijt van bestuurder? Hoge drempel bestuurdersaansprakelijkheid (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21). HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0759, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen). Maatstaf. Brengt enkele verstrekking tweede pandrecht mee dat schuldeiser schade leidt?
Rechtsvraag
De centrale vraag is of [verweerder] persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het niet nakomen van de verplichting door de [B-]vennootschappen jegens RCI om een eerste pandrecht te vestigen, waardoor RCI schade zou hebben geleden.
Regel
- Art. 3:231 BW (Pandrecht: een zekerheidsrecht op roerende zaken, vorderingen en andere rechten)
- Beklamelcriterium (Bestuurdersaansprakelijkheid: bestuurder kan persoonlijk aansprakelijk zijn als hij weet of behoort te weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet kan nakomen en geen verhaal zal bieden)
Toepassing
- Art. 3:231 BW (Pandrecht: een zekerheidsrecht op roerende zaken, vorderingen en andere rechten) De [B-]vennootschappen hadden een verplichting jegens RCI om een eerste pandrecht te vestigen op de door RCI gefinancierde voertuigen. Echter, de pandrechten waren al aan de bank verleend, wat betekent dat RCI slechts een tweede pandrecht verkreeg. De Hoge Raad oordeelt dat de omstandigheid dat RCI geen eerste pandrecht heeft verkregen, op zichzelf niet voldoende is om schade aan te nemen. (rov. 4.4, 4.5)
- Beklamelcriterium (Bestuurdersaansprakelijkheid: bestuurder kan persoonlijk aansprakelijk zijn als hij weet of behoort te weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet kan nakomen en geen verhaal zal bieden) Het hof heeft geoordeeld dat RCI onvoldoende heeft gesteld dat [verweerder] wist of behoorde te weten dat de vennootschappen hun verplichtingen niet konden nakomen. Er is geen voldoende bewijs dat [verweerder] kon voorzien dat RCI schade zou lijden door het ontbreken van eerste pandrechten. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. (rov. 4.3, 4.5)
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het principale beroep van RCI. Er is onvoldoende bewijs dat [verweerder] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. RCI heeft niet aangetoond dat de schade als gevolg van het niet verkrijgen van eerste pandrechten voorzienbaar was op het moment dat [verweerder] de verplichting aanging. Het incidentele beroep behoeft geen behandeling.
Partijen en standpunten
- Eiser: RCI Financial Services B.V.
- Gedaagde: [verweerder]
RCI stelt dat [verweerder] onzorgvuldig heeft gehandeld door verplichtingen tot verlening van eerste pandrechten aan te gaan terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat deze niet nagekomen konden worden, waardoor RCI schade zou lijden.
[verweerder] voert aan dat hij ervan mocht uitgaan dat de pandrechten van de bank geen betrekking hadden op door derden gefinancierde auto's en betwist dat hij persoonlijk aansprakelijk is.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 03-05-1999 Een kredietovereenkomst wordt gesloten tussen de Renaultvestigingen en ABN AMRO voor een krediet van NLG 1.000.000, met zekerheden zoals pandrecht op voorraden en vorderingen.
- 18-06-2001 Renaultvestigingen verleenden pandrecht aan de bank op hun voorraden en vorderingen; de pandakte is geregistreerd bij de belastingdienst.
- 24-01-2005 Een nieuwe kredietovereenkomst wordt gesloten voor een bedrag van EUR 3.300.000, met diverse zekerheden zoals pandrechten op voorraden en vorderingen.
- 06-01-2005 Een combi-pandakte wordt ondertekend voor verpanding van voorraden, inventaris en vorderingen, en op 04-03-2005 geregistreerd bij de belastingdienst.
- 2004 Mantelovereenkomsten tussen de [B-]vennootschappen en RCI worden geregistreerd bij de belastingdienst, waarin onder meer eerste pandrechten worden verleend.
- 26-04-2006 Een hoofdelijkheidsverklaring wordt ondertekend waarin de [B-]vennootschappen en [A] Groep zich hoofdelijk verbinden jegens RCI voor verleend krediet.
- 15-05-2007 De bank zegt de kredietrelatie met de [B-]vennootschappen op en legt executoriaal pandbeslag op voertuigen.
- 28-06-2007 RCI legt executoriaal pandbeslag op door haar gefinancierde voertuigen van de [B-]vennootschappen.
- 25-06-2007 RCI doet een verzoek aan de voorzieningenrechter voor onderhandse verkoop van in beslag genomen voertuigen, maar trekt dit in juli 2007 in.
- Augustus-September 2007 De [B-]vennootschappen worden in staat van faillissement verklaard.
- 15-06-2011 De rechtbank wijst de vordering van RCI af, oordelend dat [verweerder] er van mocht uitgaan dat de bank geen pandrechten op door derden gefinancierde auto's had.
- 12-03-2013 Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat de pandakten de verpandingsplicht bepalen en [verweerder] niet persoonlijk aansprakelijk is.