Oneigenlijk boetebeding kan gematigd worden onder bijzondere omstandigheden, mits goed gemotiveerd.

Hoge Raad ยท 16 september 2011 ยท Cassatie ยท Civiel recht

Verbintenissenrecht. Oneigenlijk boetebeding; art. 6:94 lid 1 BW kan ook op een oneigenlijk boetebeding van toepassing zijn, maar of zulks het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval; pas bij bijzondere omstandigheden is er grond voor matiging van een oneigenlijk boetebeding (HR 27 april 2007, LJN AZ6638, NJ 2007, 262).

Rechtsvraag

Is art. 13 van de Algemene Voorwaarden van Subat aan te merken als een oneigenlijk boetebeding waarop de matigingsbevoegdheid van art. 6:94 lid 1 BW analoog van toepassing is, en kan het hof het bedrag dat [verweerster] op basis daarvan verschuldigd is, matigen?

Regel

  • Art. 6:91 BW (definitie boetebeding)
  • Art. 6:94 lid 1 BW (matigingsbevoegdheid van de rechter)

Toepassing

  • Art. 6:91 BW (definitie boetebeding) Het hof heeft geoordeeld dat art. 13 van de Algemene Voorwaarden een anti-speculatiebeding is dat als een oneigenlijk boetebeding kan worden gekwalificeerd, omdat het [verweerster] verplicht tot een zekere prestatie (betaling van saneringskosten of waardevermeerdering) indien zij de gesaneerde locatie binnen tien jaar verkoopt. Dit ondanks dat zij niet verplicht was om de locatie niet te verkopen. Het hof heeft dit gekwalificeerd als een oneigenlijk boetebeding, omdat de verplichting niet accessoir is aan een andere verplichting. Dit oordeel is door de Hoge Raad als niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd beschouwd. (Rechtsoverwegingen 3.3.3 - 3.3.4)
  • Art. 6:94 lid 1 BW (matigingsbevoegdheid van de rechter) Het hof heeft geoordeeld dat het beding een oneigenlijk boetebeding betreft en dat art. 6:94 BW analoog kan worden toegepast op grond van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad stelt dat de matigingsbevoegdheid niet is uitgesloten voor een oneigenlijk boetebeding, ook als deze niet een accessoir karakter heeft. Het hof heeft de vergoeding gematigd tot โ‚ฌ 25.000,--, daarbij overwegend dat de volledige betaling in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Dit oordeel is echter door de Hoge Raad vernietigd omdat het hof ten onrechte is uitgegaan van de veronderstelling dat de economische overdracht van twee andere percelen onder de werking van art. 13 viel, terwijl dit niet het geval was. (Rechtsoverwegingen 3.4.1 - 3.4.4)

Conclusie

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd omdat het hof zijn oordeel over de matiging van het bedrag dat [verweerster] aan Subat verschuldigd is, niet toereikend heeft gemotiveerd. Het hof is ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat twee andere percelen onder de werking van art. 13 van de Algemene Voorwaarden vielen. De zaak is verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.

Partijen en standpunten

  • Eiser: STICHTING UITVOERING BODEMSANERING AMOVERING TANKSTATIONS
  • Gedaagde: [Verweerster]

Subat vorderde betaling van โ‚ฌ 74.874,-- van [verweerster] op basis van art. 13 van de Algemene Voorwaarden vanwege de verkoop van een gesaneerde locatie binnen tien jaar.

[Verweerster] betwistte de vordering en het hof matigde het verschuldigde bedrag tot โ‚ฌ 25.000,-- vanwege bijzondere omstandigheden.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 16-11-1993 Subat en [verweerster] tekenen een overeenkomst voor bodemsanering van een tankstationlocatie in Amsterdam.
  2. 03-03-1994 De overeenkomst voor bodemsanering tussen Subat en [verweerster] is volledig ondertekend.
  3. 29-10-2002 Subat rondt de bodemsanering van de locatie af en levert deze op aan [verweerster].
  4. 29-10-2002 Subat informeert [verweerster] dat bij verkoop binnen 10 jaar na de overeenkomst saneringskosten moeten worden vergoed.
  5. 30-12-2003 [Verweerster] verkoopt het erfpachtsrecht van de locatie aan [A] B.V. zonder toestemming van Subat.
  6. 27-04-2005 De rechtbank Rotterdam wijst de vordering van Subat toe en veroordeelt [verweerster] tot betaling van โ‚ฌ 74.874,--.
  7. 02-08-2007 Het hof 's-Gravenhage behandelt het hoger beroep van [verweerster] tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam.
  8. 15-09-2009 Het hof 's-Gravenhage oordeelt dat de matigingsbevoegdheid van toepassing is op het boetebeding van Subat.
  9. 12-01-2010 Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en matigt de betaling tot โ‚ฌ 25.000,--.
  10. 16-09-2011 De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam voor verdere behandeling.