Loyaliteitsdividend kan in statuten worden opgenomen mits gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden.
Ondernemingsrecht; cassatie in het belang der wet. Voorgenomen statutenwijziging tot invoering van loyaliteitsdividend (DSM). Gelijke aandeelhoudersrechten; art. 2:92 lid 1 BW verzet zich niet tegen regeling tot toekenning van financi毛le uitkering aan geregistreerde aandeelhouders mits geen schending van gelijkheidsbeginsel ex art. 2:92 lid 2. Enqu锚terecht; verhouding tussen art. 2:349a lid 2 en 350 lid 1 BW, toelaatbaarheid onmiddellijke voorzieningen v贸贸r een beslissing op enqu锚teverzoek; belangenafweging.
Rechtsvraag
De rechtsvraag is of de ondernemingskamer terecht een onmiddellijke voorziening heeft getroffen die DSM verbiedt een statutenwijziging voor te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders, waarbij het loyaliteitsdividend zou worden ingevoerd, en of deze voorziening in overeenstemming is met art. 2:349a lid 2 BW.
Regel
- Art. 2:92 lid 1 BW (Regelend recht over gelijke rechten en verplichtingen van aandelen)
- Art. 2:349a lid 2 BW (Bevoegdheid ondernemingskamer tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen)
- Art. 2:105 BW (Betreft de afwijkingen die in de statuten kunnen worden opgenomen ten aanzien van winstverdeling)
- Art. 2:356 BW (Sanering en herstel door maatregelen van reorganisatorische aard)
Toepassing
- Art. 2:92 lid 1 BW (Regelend recht over gelijke rechten en verplichtingen van aandelen) De ondernemingskamer meende dat het loyaliteitsdividend in strijd was met art. 2:92 lid 1 BW omdat het voorstelde dividend afhankelijk was van de persoonlijke toestand van de aandeelhouder, niet van de soort aandelen. De Hoge Raad stelde echter dat deze regel van regelend recht is en dat afwijkingen in de statuten mogelijk zijn, zolang het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden (art. 2:92 lid 2 BW). De voorgestelde regeling zou niet in strijd zijn met art. 2:92 lid 1 BW. (Rechtsoverweging 3.3)
- Art. 2:349a lid 2 BW (Bevoegdheid ondernemingskamer tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen) De ondernemingskamer heeft onvoldoende een billijke afweging van belangen gemaakt bij het treffen van de onmiddellijke voorziening. De Hoge Raad benadrukt dat een dergelijke voorziening alleen mag worden getroffen wanneer er voldoende zwaarwegende redenen zijn en dat een afweging van de belangen van alle partijen moet plaatsvinden. In dit geval was er geen dringende noodzaak voor een onmiddellijke voorziening, gezien de loyaliteitsdividendregeling pas in 2010 zou ingaan. (Rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7)
Conclusie
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de ondernemingskamer omdat deze een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd ten aanzien van art. 2:92 lid 1 BW en omdat er geen voldoende zwaarwegende reden was voor de onmiddellijke voorziening zoals vereist onder art. 2:349a lid 2 BW. De vernietiging is in het belang der wet en brengt geen nadeel toe aan de rechten van de betrokken partijen.
Partijen en standpunten
- Eiser: Procureur-Generaal bij de Hoge Raad
- Gedaagde: Koninklijke DSM N.V.
De ondernemingskamer heeft ten onrechte een onmiddellijke voorziening getroffen op basis van een onjuiste rechtsopvatting over art. 2:92 lid 1 BW en zonder een billijke afweging van belangen te maken zoals vereist door art. 2:349a lid 2 BW.
DSM heeft het verzoek van Franklin c.s. om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken en de opschorting van de statutenwijziging bestreden.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 19-03-2007 Franklin Mutual Advisors LLC, onderdeel van Franklin Templeton, heeft een verzoekschrift ingediend bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam. Ze verzochten om een onderzoek naar het beleid van DSM inzake de introductie van loyaliteitsdividend en vroegen om opschorting van de introductie van het loyaliteitsplan.
- 19-03-2007 De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) heeft als belanghebbende een verzoek ingediend voor een onderzoek naar het beleid van DSM en gevraagd om onmiddellijke voorzieningen, waaronder het schorsen van stemrechten en uitstel van de aandeelhoudersvergadering.
- 28-03-2007 De ondernemingskamer heeft DSM verboden om het voorstel tot statutenwijziging inzake loyaliteitsdividend in stemming te brengen tijdens de aandeelhoudersvergadering van 28 maart 2007 en verdere vergaderingen. Het verzoek van Franklin c.s. voor een onderzoek werd aangehouden voor verdere behandeling.
- 01-10-2007 Mr. R.S. Meijer namens Franklin c.s. en Mr. P.W.J. Coenen namens VEB reageerden op het cassatieverzoek van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad.
- 14-12-2007 De Hoge Raad vernietigde de beschikking van de ondernemingskamer van 28 maart 2007 in het belang der wet. De Hoge Raad oordeelde dat de ondernemingskamer een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd met betrekking tot art. 2:92 lid 1 BW en art. 2:349a lid 2 BW, en dat er geen noodzaak was voor de onmiddellijke voorziening.